Plus tweeëndertig

Yulian begeg­net Ant­wer­pen. Die unge­wöhn­li­che Geschichte eines FU-Studenten auf der Suche nach Glück in zwei­und­drei­ßig Atem­zü­gen. Yulian Ide.

“Schö­nes Leben gesucht”: Niederlandistik-Student Yulian ver­sucht, die Ant­wer­pe­ner für sich zu gewinnen.

Hij was al tweeën­der­tig dagen in Ant­wer­pen toen hij bes­loot geluk­ki­ger te moe­ten wor­den. Net te wei­nig om zich ›Sin­joor‹ te kun­nen noe­men, maar zeker te veel om zomaar weer terug naar zijn thuis­stad te gaan. Dit ver­haal begint heel tri­es­tig, maar dat is mee­s­tal zo. Toen hij in de stad aan de Schelde aank­wam, bleek de start van zijn nieuwe leven iets moei­li­jker dan hij had ver­wacht. In zijn thuis­stad had hij al kraak­pan­den bezocht die luxu­eu­zer waren inge­richt dan zijn won­ing in Ant­wer­pen. Som­mige vri­en­den lie­ten niets van zich horen, ook al had hij zich de hele tijd op hen ver­heugd. Het waren er tweeën­der­tig. Hij was niet een­zaam, alleen iets min­der geluk­kig dan thuis. Een job vin­den was moei­li­jker dan gedacht. Het regende en was niet bijzon­der warm. Zijn leven was een dub­bele nul op een schaal van geluk van één tot tien.

Hij was een per­soon die niet hield van de moei­li­jke din­gen. Het liefst deed hij alles op de mak­ke­li­jkste en ple­zantste manier. Zo gebe­urde het dat hij op een vri­jd­ag­nacht meer­dere hon­der­den affi­ches in de hele stad ophing. „Mooi leven gezocht“ stond er in koeien van let­ters op. Ietsje over­dre­ven mis­s­chien. Zijn affi­ches waren zwart-wit en heel sim­pel, ze had­den ook een ama­teur­toneel­stuk of een sma­ke­loos fee­stje kun­nen aan­kon­di­gen. Ook zijn eigen foto was zwart– wit. Hij hoopte met een glim­lach Ant­wer­pse har­ten te kun­nen ste­len. Onderaan stond zijn gsm– num­mer. Tweeën­der­tig affi­ches nam hij weer mee naar huis.
Amper een halve dag later, hij sliep nog diep en vast, kwa­men de eerste bericht­jes bin­nen. Stu­den­ten die met hem iets wil­den gaan drin­ken. Een oude vrouw die een nieuwe klein­zoon nodig had. Een jon­gen die op zoek was naar een vri­jpar­tij. De Ant­wer­pse regio­nale tv-zender belde hem op en maakte van hem een sym­bool van een­zaam­heid. Een mono­tone vrou­wens­tem becom­men­ta­rie­erde zijn lot. De uit­zen­ding duurde tweeën­der­tig seconden.

Er ver­sche­nen arti­kels in kran­ten over hem en hij kreeg onge­kend veel respons op zijn zwart-witte affi­ches. Had hij ooit zijn karak­ter mogen kie­zen, dan was hij graag een van die stille waters met diepe grond geweest. Jam­mer genoeg kwam hij altijd in het mid­den van de belang­stel­ling terecht en was hij alles­be­halve ondoor­gronde­lijk. Nu dus ook. Iedereen wist hoe hij was. Cool von­den ze hem. „En wat een lef had hij.“ Hij kreeg tweeën­der­tig bericht­jes en tweeën­der­tig tele­foont­jes. Ant­wer­pen­aren zijn een ele­gant volk, dat wist hij. Alles wat ze doen, doen ze op een def­tige manier. De gla­zen waa­rin een kof­fie ver­ke­erd wordt geser­veerd, zijn hier moo­ier. Er ligt altijd een ree­pje cho­co­lade bij. Iedereen is mooi gekleed, nie­mand schree­uwt of mis­draagt zich. Als begro­eting krijg je een niets­zeg­gende kus op de wang. Door de rest van Vla­an­de­ren wor­den ze als arro­gant en onbe­reik­baar beschouwd. Ant­wer­pen­aren noe­men hun stad “›t Stad” – alsof er geen andere bes­tond. Ze zijn trots op hun heden en ver­le­den. En toch wil­den ze hem daar deel van laten zijn. Bli­jk­baar had hij har­ten kun­nen stelen.

De ver­ko­ops­ter in de tweede­hands­win­kel her­kende hem en gaf hem extra korting op zijn aan­ko­pen, de vrouw in de biblio­theek vroeg of zijn leven nu wat moo­ier was gewor­den. „Tweeën­der­tig keer zo mooi“, ant­wo­ordde hij een beetje ver­dwaasd. Op fee­st­jes moest hij zich niet meer voor­stel­len, zijn naam was al bekend. De dj wuifde hem toe ter begro­eting. Hij ver­telde zijn ver­haal – keer op keer – en was het bijna al een beetje beu om het tweeën­der­tig keer te herhalen.

Intus­sen was de bewuste vri­jd­ag­nacht al een tijdje ach­ter de rug en besefte hij dat het rede­lijk mak­ke­lijk was van een dub­bele nul een plus te maken. Net als veel ver­ha­len daar­voor, zal dus ook dit ver­haal geluk­kig ein­di­gen. Een mooie won­ing had hij onder­tus­sen gevon­den, hij lag in zijn bed. Geen volk of gedoe, gewoon event­jes alleen. Het was weer een vri­jd­ag­nacht. Op de acht­er­grond weer­klonk zacht­jes een liedje in zijn moedertaal. Zijn gsm rin­kelde, het was een uit­nodi­ging voor het hipste fee­stje van de stad: „Je staat op de gas­ten­lijst. Plus tweeëndertig.“

24. Januar 2011, Die Internationale, FURIOS 05, Heft

Kommentar schreiben